Wat doen we met het milieu

Vooraf

Dit zijn enkele notities in telegramstijl. Alles – op een opmerking na – is gebaseerd op openbare bronnen. De onderbouwing zou veel teveel ruimte vragen, die laat ik dus weg. Dit stuk gaat over de psychologische aspecten van wat er gebeurt. Hoe gaan we ermee om? In eerste instantie bedoeld voor mezelf, om orde te scheppen en mijn positie te bepalen.

Onderwerpen

  • Ons klimaat verandert
  • Bewustwording
  • Oorzaak
  • Wat wordt er aan gedaan
  • Wat kost het
  • Twee snelheden
  • Prive opties
  • Zelf overleven

Ons klimaat verandert

De aarde warmt op. De zeespiegel stijgt. De oceanen verzuren en vervuilen. Oerbossen verdwijnen stukje bij stukje. Grote delen van de aarde verwoestijnt. Door dit alles nemen de uitersten in het weer toe: meer hittegolven en bosbranden, grotere orkanen, meer overstromingen. Dit ervaren we al enigszins. Op termijn zullen bijvoorbeeld schelpen en riffen verdwijnen, opgelost door het zuur in de zee (Attenborough). In delen van Afrika is geen landbouw meer mogelijk.

Er is een soort interactie van de diverse bewegingen. Ontdooiing van de thermafrost bijv. maakt veel nieuw methaangas vrij waardoor de CO2 toeneemt, zwart water neemt meer zonnewarmte op dan wit ijs etc.

Hiermee hangt de diversiteitscrisis samen; in zeer snel tempo verdwijnen soorten planten en dieren. Bijzonder riskant is het afnemen van soorten en aantallen insecten.

Lees de hele notitie in word >

Heb je leuzen nodig?

De meesten van ons hebben een weerzin tegen leuzen. Je ziet meteen ‘banieren’ voor je, en optochten en allerlei volksmennerij. Beatrice de Graaf zegt al: ‘Voor je het weet loop je achter de verkeerde banier aan’.

En toch.

Je kunt misschien toch niet zonder een kort en duidelijk, inspirerend motto. Hillery heeft dat niet gezocht, ze had een aversie tegen ‘bumper-sticker simplification’ schrijft ze. Maar je hebt het als politicus nodig om met enkele woorden de mensen in het hart te raken. Dat gemis wreekte zich. Ze opperde nog ‘Samen sterker’, maar daarvoor gaat niemand naar het stemhokje.

‘Yes we can’, hoe vaak is dat niet herhaald. De kracht er van schuilde natuurlijk in de sympathieke leider die het uitsprak, maar het versterkte hem ook. Het klinkt activerend, bemoedigend en daar is behoefte aan.

‘I have a dream’, het was precies passend bij de strijd om gelijke burgerrechten, een doel dat ver weg leek en lijkt.

‘Black lives matter’, een ijzersterk motto dat precies aangeeft waar het om gaat.

We hebben ook genoeg negatieve leuzen: ‘Minder Marokkanen’, ‘America first’, ‘Voor volk en vaderland’. De leuze is op zichzelf niet zo fout, wel wat er achter zat. ‘Blut und bodem’, dat wordt al veel erger. Onmogelijk en misleidend was: ‘take back controle’ bij de Brexit.

Er is een statement dat zowel positief als negatief werd gebruikt: Algela Merkel die spreekt vanuit haar christelijke verantwoordelijkheidsgevoel over de oorlogsvluchtelingen en zegt: kom maar, ‘wir schaffen das’: wat leidde tot grote waardering en grote haat.

De geniaalste leuze aller tijden is ‘Geen gezeik, iedereen rijk’, van Koot en Bie. Het briljante is, dat het echt is wat we willen. En tegelijk iets dat volkomen onmogelijk is en ‘not done’. Maar het is niet voor niks dat hun fictieve partij ‘De Tegenpartij’ echte navolgers kreeg!

We kijken reikhalzend uit naar een wederopstanding van de Democratische partij in de VS, de sociaal democraten die daar ‘liberals’ heten. Maar er is (nog) geen leuze, geen motto. Alleen voor groepen van de bevolking, identiteitspolitiek. Waar kan voor de hele bevolking nog een onbesmette leuze vandaan komen? Want die is geloof ik onmisbaar.

Ik denk aan nieuwe leiding die, als ze echt de weg tot het hart van de burgers zal hebben gevonden, ook de goede woorden zal vinden.

Liebje Hoekendijk, Bussum

 

 

Leiding zonder morele basis?

Vrouwen die zich tegen Trump verzetten hebben een ‘Pussyhat’ actie: ze breien voor elkaar een roze muts.

Wat mij nog het meest verontrust in de politieke ontwikkelingen in het westen, is dat er een leider is bij wie het morele besef ontbreekt. Merkel geniet vertrouwen omdat duidelijk is dat haar handelen is gebaseerd op een ferm christelijk moreel besef. Het belang van haar eigen positie komt secundair.
Bij Trump is zijn eigen positie belang 1 t/m 10.

Ik ben bang dat Trump, als hij de kans krijgt, met een gevoel van macht rustig de knop voor het gebruik van zijn ‘nukes’ indrukt, zonder enig besef dat hij daarbij miljoenen, ja miljoenen! de dood injaagt en de aarde met radioactiviteit vergiftigt. Hij zal zich hoogstens afvragen of het al of niet zijn populariteit zal beïnvloeden.
Echt meeleven heeft hij gewoon niet. Als hij troost gaat bieden aan slachtoffers van rampen koestert hij zich in zijn eigen warmte, genietend van de dankbare reacties.
Een moreel besef ontbreekt. Zijn oriëntatie is of iets goed of slecht is voor Trump. Zijn geestelijke leider (Ds. Norman Vincent Peale) bevorderde zelfpromotie: ‘Every day, in every way, I am getting better and better’ (and richer). Trumps hele geschiedenis laat dit gebrek aan compassie zien.
Ik laat andere politieke leiders in de wereld even buiten beschouwing, wij hebben met het westen te maken. Wat doet het met de moraliteit in een samenleving als de leider dit fundament gewoon niet heeft?

foto: Ik ben solidair met de ‘Pussyhats’ beweging in de V.S. van vrouwen tegen Trump

Levenskunst, kan daar wat tegen zijn?

Blijkbaar wel. Er heeft een heftig debat plaatsgevonden tussen Hans Achterhuis (‘denker des vaderlands’ volgens Trouw) en Joep Dohmen, auteur van Het leven als kunstwerk. Als we nu even opmerkingen terzijde leggen als: ‘Ik krijg geen adem, ik krijg het Spaans benauwd van die levenskunstfilosofie van jou’ (Achterhuis), en Dohmen: ‘Jij bent lui, je hebt mijn boek niet gelezen’ kunnen we proberen te achterhalen waar de angel van deze discussie in zit. Met de mogelijkheid dat het allemaal een misverstand is. Het zal niet verbazen dat ik, als auteur van Levenskunst van ouderen het moeilijkste de argumentatie van Achterhuis kan volgen. In een artikel over deze tegenstelling is dit ook niet te verwonderen, omdat het door Dohmen geschreven is die niet al te zeer openstaat voor de gedachten van Achterhuis… Ik citeer Achterhuis:’Ik vraag me af of staatsburgers niet worden vermalen tussen de Europese Unie en de economische globalisering. Persoonlijke levenskunst is niet het juiste antwoord op deze politieke, economischie en sociale uitdagingen… de filosofen van de levenskunst zijn strenge schoolmeesters waarbij ik in mijn schulp kruip.’ Hij wil verhalen horen over levens van mensen die hun leven niet in de hand hebben, waar onverwachte dingen gebeuren waar je dus geen antwoord op hebt. Er is nu eenmaal liefdesverdriet, haat, lijden en sterven. Daarover hoor je niets…’ Dohmen: ‘De kwaliteit van ons persoonlijke leven kan niet vanzelf uit ons politieke leven worden afgeleid. Levenskunst gaat over de vraag: hoe moet ik leven?’ Volgens hem betekent dat ook te leven als sociaal en politiek wezen. Het gaat om ‘bildung’, vorming.

Ik denk eigenlijk dat er bij mensen als Achterhuis een kriebel bestaat tegen de Amerikaanse, optimistische ‘zelfhulp’ tips, tot zelfs de oproep aan peuters toe, om ‘een leider’ te zijn. ‘Jij kunt je eigen leven je z.g. helemaal zelf maken, je kunt geluk en succes afdwingen’. Nee dus, dat weet iedereen. Maar je kunt natuurlijk wel de dingen die je tegenkomt, waaronder allerlei vormen van lijden, onder ogen zien, ze doorleven en er zelf iets goeds van maken, iets wat bij jou past. Dat kan wel.

Liebje Hoekendijk, auteur van Levenskunst van ouderen

Nederland

Kun je ook een speech houden over de Nederlandse identiteit? De tekst die Obama hield voor de Amerikanen na zijn herverkiezing, zouden we nooit accepteren als het tegen ons gezegd werd. Te gezwollen, te grote woorden. Maar we vonden het wel mooi. Er wordt telkens gezegd dat het goed zou zijn als onze politici zich ook eens tot ons zouden richten met een inspirerend verhaal over onszelf, over wat voor ons belangrijk is. Om ons met elkaar verbonden te voelen, wat hard nodig is in deze barre tijden. Zouden de hier volgende punten passen in zo’n speech?

Klein maar sterk

Toen de Nederlanden zich vormden uit 12 -, en later uit de 7 provincies, was de vrijheid van godsdienst de voornaamste reden om zich te verzetten tegen de Spaanse overheerser. We wilden geen verplichting om katholiek te zijn, maar ook niet de verplichting om protestant te zijn. Het ging om de keuzevrijheid. Deze historische achtergrond maakt ons tolerant ten opzichte van verschillende overtuigingen. Dat betekent helaas niet dat we altijd weten hoe we om moeten gaan met intolerantie.

De strijd tegen het water en tegen vreemde overheersers hebben ons pragmatisch gemaakt. De noodzaak om samen te werken was en is geboden: tussen rijk en arm, links en rechts, gelovig en ongelovig. Ook als handelsnatie moesten we pragmatisch zijn. Dwang, commando’s en dwingende keurslijven verdragen we slecht, maar we willen ons best uit de naad werken voor opdrachtgevers die ons als gelijken behandelen. We zijn in de nabijheid van beroemde personen niet onder de indruk, en dat wordt soms gezien als hoogmoed. Maar het is niets anders dan de zelfverzekerdheid van mensen die weten dat we allen in principe gelijkwaardig zijn.

Hoogdravendheid en grote woorden geloven we niet, maar we waarderen een eerlijk en welgemeend standpunt. We hebben een hekel aan grote verschillen, we vinden protserige rijkdom niet prettig maar een situatie waarin mensen geen dak boven hun hoofd hebben of niets te eten hebben, ook niet.

We willen een samenleving waarin de mensen een beetje aardig zijn voor elkaar, vriendelijk, behulpzaam als het nodig is. Als onze privacy maar behouden blijft. We hebben geen dromen of verre idealen die we willen bereiken, maar we willen onszelf zijn. Klein maar eigenwijs. Je kunt ook zeggen, klein maar zelfverzekerd. Samenwerking met andere landen vinden we vanzelfsprekend, maar opgeslokt te worden door een groter geheel, dat is niet bepaald aantrekkelijk. Zo is onze geschiedenis niet. ‘Ik zal handhaven’, en dat doen we samen, als Nederlanders. Dat is op zichzelf een prima ideaal.

Liebje Hoekendijk, Bussum (035-6910173)

Typen organisaties die met vrijwilligers werken

Een sociale kaart in schema

Ik maakte eens een conferentie mee over vrijwilligers in de ouderenzorg. Er was een grote spraakverwarring. Problemen die de ene vrijwilliger had binnen zijn organisatie waren totaal anders dan die van anderen. Hier bleek dat de positie van de vrijwilliger samenhangt met het soort organisatie vanwaar uit men werkt, en niet met het onderwerp/de doelgroep. Zelfs de problemen van de doelgroep werden anders bekeken.

Lees het hele document in word >

Vrijwilligerswerk of betaald werk

Artikel in Nederlands Dagblad aug.2014

In discussies over vrijwilligerswerk wordt vaak de vraag gesteld of vrijwilligerswerk overvraagd wordt, dan wel een onjuiste plaats inneem ten opzichte van betaald werk. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ook al eens verzucht dat hij wel eens wil weten waar nu eigenlijk de grenzen van vrijwilligerswerk liggen en de vakbonden kijken met argusogen of men mensen niet onbetaald werk laat doen dat eigenlijk betaald zou moeten worden want dan is het ‘verdringing’. De vrees bestaat dat de overheid betaald werk in de thuiszorg zal wegbezuinigen en dat vrijwilligers zich daarvoor zullen aanmelden – omdat elke ervaren vader of moeder het ook wel zou kunnen doen. Maar denk maar niet dat er genoeg vrijwilligers zijn die bereid zijn dat allemaal over te nemen, daarvoor is het veel te omvangrijk. Mantelzorg is bovendien geen vrijwilligerswerk. Het voelt bepaald niet als een vrijwillige keuze als je mensen helpt met wie je een relatie hebt (familie of buur). Helaas is het in het algemeen niet simpel om een grens te trekken om te bepalen wat vrijwilligerswerk is. Enkele voorbeelden: Je zou kunnen zeggen dat openbaar vervoer een overheidstaak is en de banen daarin betaald moeten worden. Maar de buurtbusjes, de voetveren, de toeristentreinen (negen! w.o. de zware stoomtreinen), de plusbussen en de fietsboot van Amersfoort naar Huizen, die worden allemaal door vrijwilligers gerund. Er is wel subsidie van overheid of fondsen voor de vervoermiddelen zelf, maar als er lonen zouden moeten worden betaald, zou het ophouden.

Deskundigheid, kan dat dan een scheidslijn zijn? Zijn betaalde krachten deskundig en vrijwilligers niet? Ook niet zo duidelijk. De stuurmannen van de fietsboot hebben natuurlijk hun groot vaarbewijs, en trouwens, elke vrijwilliger moet deskundig zijn in dat wat hij/zij doet, al is het ervaringsdeskundigheid.

Het soort werk dan, kan daar een grens liggen? Conservatoren van onze grote musea zijn natuurlijk betaalde krachten, maar het merendeel van de ongeveer duizend musea die Nederland telt, zijn opgezet en worden gerund door vrijwilligers.

De schaal dan van de voorzieningen waarover wij praten? Daarmee kom je in de buurt van een argument. Grote organisaties hebben een hoofdkantoor met betaald management omdat deze een dermate grote inzet vraagt dat het betaald werk is. Fulltime inzet betekent in het algemeen ook betaalde inzet. Overigens, soms begint het als vrijwilligerswerk, zoals een bank, het Nut en de bibliotheken, na die na bewezen noodzaak en groei worden geprofessionaliseerd. Er is door vrijwilligerswerk veel betaald werk gecreëerd. In zulke organisaties hebben vrijwilligers soms nog wel aanvullende taken.

Uitkeringsinstantie UWV kijkt naar het ‘soort’ organisatie. Men erkent vrijwilligerswerk als het wordt gedaan door traditionele vrijwilligersorganisaties, meest verenigingen, zoals sportverenigingen, kerken, het Rode Kruis etc.

De algemeen geaccepteerde criteria van wat vrijwilligerswerk is, zijn: Het is onbetaald (afbakening naar betaald werk), je doet iets voor een ander of voor de samenleving (afbakening naar hobby) en het gebeurt vanuit een min of meer georganiseerd verband (afbakening naar mantelzorg). Waarom sloven vrijwilligers zich uit als ze er niet voor betaald worden? Wat in onderzoeken het vaakst naar boven komt, is dat ze het leuk vinden om te doen, ook al is het zwaar. Ze zoeken verder het gevoel nuttig te zijn/ gezelligheid/ benutten van eigen kwaliteiten/ zelf je tijd kunnen bepalen/ het bevorderen van grote maatschappelijke doelen zoals zorg voor milieu en derde wereld/ je kunt je ontwikkelen. Wat waardering is nooit weg, maar daar doet men het niet voor.

Het voorzieningenaanbod is door vrijwilligers aanzienlijk is uitgebreid. Kijk naar het buurtbusje: het maakt de gebruikers van de buurtbusjes blij en ze geven de pensionado’s die erin rijden werkt dat ze graag doen. Een betaald alternatief is er niet. Dan verdwijnt het. Wees zuinig op de vrijwilliger.

Afscheid van mijn zoon, mijn kat en mijn geliefde

In de periode van ruim een jaar verloor ik mijn oudste zoon, een geliefd huisdier en mijn partner van een 40 jaar durende, warme relatie. Afscheid na afscheid, pijn na pijn. Dit drievoudig afscheid betrof drie zulke totaal verschillende ervaringen dat ze niet zijn te vergelijken. Op een ding na: het ergste is niet het gemis, het ergste is het om te verwerken dat de verloren geliefden zo hebben moeten lijden. Dat geldt voor alle drie.

Verwarring blijft over. Ik heb pijn, ik ben dankbaar, ik weet zoveel niet. Maar toch ook weer wel, want het gevoel van dankbaarheid overheerst. Ik had een mooi, zeer creatief en bijzonder mens tot zoon, Ik had een kattevriendje dat heel veel liefde gaf, en mij bij zijn dood een onvergelijkelijke spirituele ervaring deed beleven. Ik had een partner waarmee het leven een feest was. Iedereen benijdde ons!

Ik schrijf voor mezelf – moet je altijd doen, natuurlijk. De ervaringen die ik hier opschrijf zijn dus strikt persoonlijk. Iedereen die er in betrokken was, heeft zijn of haar eigen herinneringen.

Daarna doe ik het boek dicht. Ik ben 83 jaar, wat zal het leven nog brengen?

Martien 14-2-2012
Afscheid zoon

Mijn zoon was 58 toen hij stierf aan een ziekte die al op zijn twaalfde begon. Toen lag hij al een jaar in het ziekenhuis. Een leverkwaal, niks aan te doen. Toen hij een half jaar voor zijn dood te horen kreeg: ‘je hebt kanker in de lever’ was hij natuurlijk diep geschokt, maar ook triomfantelijk: hij had het toch maar mooi tot zijn 58ste volgehouden, wat vroeger niemand had verwacht. Die kwaal betekende wel dat hij zijn hele leven weinig energie had en er zuinig mee om moest gaan.

Hij was bijzonder creatief, vooral op technisch gebied. Toen hij 9 was wou hij een raket naar de maan maken, en hij dacht echt dat hij dat wel kon. Gelukkig kwam hij als tiener in Rotterdam in een groep terecht die inderdaad een raket bouwde die vanaf een legerbasis afgeschoten is, en 1000 meter hoogte haalde. Technisch ‘belletje trekken’ deed hij ook door de tv van mensen te storen vanaf de straat.
Op de HTS vond hij een cijfer 6.5 hoog genoeg, want daarmee ging je net over. Dan kon je vervolgens je tijd beter besteden aan de bestudering van de aerodynamica van een boemerang op de hei. Voor de open dag van de HTS wilde men een buienradar demonstreren, maar die werkte niet. Ook de docenten lukte het niet om hem te laten functioneren. Martien joeg iedereen het lokaal uit, en in twee dagen had hij het operabel. Toen was het nog heel primitief maar wel fascinerend. Op de beroete cilinder zag je de mooie depressiekrullen zich ontwikkelen voor je ogen.

Naast de techniek was de natuur zijn hobby. Hij had 12 aquaria, gedeeltelijk droog. Heel enthousiast was hij over het gedrag van zoetwaterkreeftjes. De mannetjes konden over het spiegelgladde glas naar een naburige bak klimmen, naar de vrouwtjes. De piepjonge kreeftjes maakten al heuse dreigbewegingen naar je. Maar hij zei streng: ‘er wordt niet gelachen om garnalen!’ Hij had altijd verhalen en grapjes, hij was ‘good company’. Ook daarom wordt hij nu erg gemist. Zijn vriendin vroeg hem soms, als ze uit zouden gaan op een vrije dag: ‘Gaat het schepnet mee of niet? Want, zo ja, dan zaten ze verder de hele dag aan de waterkant en werd er niets anders meer gedaan. Hij zag alles, elke vogel, elke beweging in het gras.

Zijn technische creativiteit leverde hem zelden commerciële winst op, maar toevallig werd hij specialist (bij de politie) op het gebied van telefoonaftappen. Hij werd daarna als expert gevraagd in tv programma’s (van Peter R. de Vries) en door advocaten. Heel toevallig kwam hij in restaurant ‘De Witte Bergen’ een onbekend iemand tegen, Ron van Hove, waarmee hij aan het brainstormen ging over een bijscholingscurus voor advocaten. Martien kon college geven over de waarde van het bewijs van de locatie van iemand, aan de hand van zijn mobiele telefoon. Samen zetten ze een stichting op, en andere docenten werden ingeschakeld. Het was een gouden idee: Het werd het Nationaal Forensies Adviesbureau. Rob van Hove bleek een prettige collega en Martien kon voor het eerst goed verdienen. Hij werd ook door rechters gevraagd voor voorlichtingsbijeenkomsten, meer voor de eer dan voor de inkomsten overigens. Hij was daar zo graag nog langer mee doorgegaan. Niet alleen heerlijk ‘professor Zonnebloem’ kunnen zijn – zoals hij vaak plagend werd genoemd – maar fijn samenwerken. Ondanks de pijn om dit te moeten opgeven, heeft hij wel zijn opvolger ingewerkt en was hij blij, dat die goed was. Ron van Hove zei bij zijn crematie: ‘zonder Martien was dit bureau er niet gekomen’.

Toen hij zijn doodvonnis had gekregen wilde hij zijn laatste tijd eigenlijk nog besteden om naar Thailand te gaan, naar de monniken waar hij al eens eerder was geweest en die hem in zijn gedachten riepen om te komen. Maar de behandelingen (overigens vruchteloos) kostten hem zijn laatste tijd, dus dat plan kon niet doorgaan. Zijn nichtje Laura zei hem dat het hebben van kanker zo’n heftig proces was, dat je voor ‘verlichting’ dan niet meer naar Thailand hoefde te gaan.

Het einde

Martien had grote moeite om het feit van zijn naderend einde te verwerken, maar hij zei dat hij steun vond bij zijn familie. Ik zegde hem toe dat hij het laatste stuk bij mij in huis kon zijn, zijn ouderlijk huis, en dat gaf hem troost en een zekere geruststelling, hoewel het uiteindelijk anders liep. Een maand voor zijn dood waren we nog een keer als familie bij elkaar. Martien was niet meer dan een geraamte, maar hij genoot van het samenzijn. Saskia, zijn vriendin, had een film opgespoord die Martien graag wou zien, ‘Microcosmos’ van Claude Nuridsany. Op dvd en met een groot scherm (door schoonzoon Wim geregeld) keken we er naar. Een Franse natuurfilm, waarin aan het eind een mug uit zijn larve klimt, zich losmaakt van de oppervlakte van het water en wegvliegt. In stralend gouden zonneschijn, enorm vergroot. Dat was inderdaad prachtig en werd ook bij de crematie vertoond. Het is wel hartverscheurend zoals ineens, pats, de mug weg is. Hij is klaar. Die bijeenkomst thuis was op een wonderlijke manier toch ‘licht’. Niet vrolijk natuurlijk, want daar zit wel een stervend iemand op de bank, maar het was niet treurig zoals we aan het eind tegen elkaar zeiden. We probeerden allemaal Martien te steunen en op te beuren in gedachten, en dat heeft Martien ook zo ervaren. En verder genoot hij van de hapjes, en de vele natuuropnamen waar hij, zus Tryphe en ik ook commentaar op gaven. Hij was nou eenmaal een natuurliefhebber.

Wim, Saskia en Tryphe hebben hem bij alles bijgestaan en veel tijd aan hem gegeven. Drie engelen. Wim was executeur en moest bijvoorbeeld Martien begeleiden naar een notaris, wat op zichzelf al enorm veel inspanning vroeg. Maar het is gedaan. Martien wou niet dat er ’s nachts iemand in zijn huis sliep, ondanks zijn ernstige situatie en de risiso’s daarvan. Wim bood wel aan om te blijven overnachten, maar pas op de laatste nacht wou hij het accepteren. Hij heeft het aangevoeld want toen kreeg hij midden in de nacht een maagbloeding. Hij kon nog zelf naar de ambulance lopen, voor het laatst. Zo is hij toen toch in het ziekenhuis terecht gekomen, waar Saskia en Wim de verantwoordelijkheid genomen hebben om verdere behandelingen af te wijzen, want hij was in wezen stervende. Met aan iedere kant een hand in die van Wim en Saskia kon hij het leven loslaten, op het laatst zonder pijn.

Ze reden daarna direct naar mij om het te vertellen. Een dreun. We bleven nog een beetje bij elkaar. ‘Shit happens’ zeiden we, om het een beetje te verlichten. Bij de crematie waren zoveel mensen dat ze op het nippertje tientallen stoelen bij moesten zetten.

Het strooien van de as

De familie, negen personen, gaat naar Kortenhoef voor het strooien van de as van Martien. Even voor het kerkje is een paadje richting Hilversum, het plassengebied in. Wij gaan naar de plek die hij heeft aangewezen. Als we bij het begin van het pad zijn waarschuwt mijn dochter Tryphe Joos: ‘Dat is te ver voor je!’, maar Joos (89) gaat het proberen. Het eerste stuk over een redelijk pad, omzoomd door bossen Japans knoopkruid. Joos loopt met zijn stok, door mij ondersteund aan de andere kant. Door het weiland gaat het niet meer, hij valt telkens om. We dragen ook een stoeltje mee, en hij zou daarop kunnen zitten en wachten tot we terugkomen. Maar Erik (kleinzoon) en Floor (man van kleindochter Laura) vragen of hij graag mee wil. ‘Ja, ik wil er heel erg graag bij zijn’, zegt Joos, en dan tillen ze hem samen op en lopen de rest van weg met hem af. Een heel stuk nog, door twee lange weilanden en door rietland. Wim wisselt het dragen ook nog af.

Dan zijn we op de plek. Er is een meertje, en is wat ruimte met gras en een bank. Joos zit dankbaar op de meegebrachte klapstoel. We spreiden een kleedje uit en iedereen krijgt thee; zwarte- en kruidenthee, met een koek er bij. We zitten op boomstronken of het bankje of op een vuilniszak op de grond. Saskia vangt met het schepnet dat we bij ons hebben, een jong zwart zoetwaterkreeftje, en nog een. Het is hier zo stil, en in dat water zitten al die waterdieren die Martien zo mooi vond.

Na een poosje zeggen we dat het tijd is. Saskia heeft de koker met de as. Wat is het veel – maar de as van de kist zit er natuurlijk ook bij. We gaan naar het water. Op een stronk doet Laura een lichtje aan en een reukstokje. Ieder doet om de beurt een gooi naar het water met een deel van de as. Het laatste beetje doet Tryphe namens alle vrienden die er hier niet bij zijn. De as zakt niet meteen weg, maar maakt spannende figuren op het water in allerlei kleuren. Een rookwolk as drijft boven het water. We gooien rozen uit mijn tuin op het water. We staan er nog een poosje.

Er was nog een rest vissenvoer voor al die aquaria van hem. Dat geven we maar aan de vissen hier. Misschien verstoren we het ecologische evenwicht met al ons gedoe? Dan pakken we alles weer in. We laten het schepnet van Martien achter, en bedenken dat een twaalfjarig jongetje hem zal vinden en ook beestjes zal gaan vangen… Joos loopt eerst een stukje zelf en wordt daarna weer opgehesen. Langs het pad vinden we een kapotte, dode volwassen zoetwaterkreeft, wel 15 cm groot. En zwart. Een eng beest.

Citaten Martien:

‘Ik zou je door mijn ogen willen laten kijken’. En: ‘Als je een ringslang wilt zien, moet je hem roepen’.

Petertje 23-3-2013
Afscheid van mijn kat

Ik kreeg een 2 maanden oud katertje, rood met witte neus en buik. Hij bleek buitengewoon slim, grappig en lief. Toen hij nog heel klein was maakte hij buiten, als hij je zag, sprongetjes met alle vier poten tegelijk in de lucht, soms maakte zijn lijfje zelfs nog een twist in de lucht. Met drie maanden ving hij al een muis. Hij was dol op de tuin, dat was zijn oerwoud.

Kan een kat niet praten? Nou, dat had mijn kat niet nodig want hij had zoveel manieren om te communiceren. Ik sta bijvoorbeeld in de keuken, poes komt langs en zet even zijn poot op mijn slof. Dan gaat hij weer verder. Een groet. Of: mijn tafel ligt vol lappen naaiwerk. Hij komt lekker graven in de textiel, komt mijn hand tegen en geeft er even een kopje tegen in het voorbijgaan. Eigenlijk gaf hij niet vaak kopjes, meer neusjes. Toen hij in de tuin stond zag ik hem vanuit het (tot de grond reikende) keukenraam. Ik doe mijn hand met alle vingers gespreid tegen de ruit, en hij komt van de buitenkant en houdt zijn pootjes tegen mijn vingers, zo schattig.

’s Nachts kon ik niet slapen en haalde hem een keer op met de vraag: kom bij me liggen. Hij springt weg, daar had hij even geen behoefte aan. Maar even later komt hij in het donker vlak bij mijn gezicht, kijken of het wel goed is. Ik praat met hem en hij stopt zijn neusje in mijn hand. Daarna springt hij op mijn bed en komt een tijdje bij me liggen. Niet zo lang, want hij deed het voor mij. (Daarvoor was hij een paar keer ës nachts om ongeveer 3 uur wel uit zichzelf op me komen liggen, klets- en kletsnat van de regen, omdat het bij mij warm was en hij zich droog kon likken. Gek was, dat ik er toch van in slaap kwam).

In het zonnetje was hij uitgelaten. En als ik langskom in de tuin springt hij om me heen en pakt mijn enkels! Spelen! Dat is vooral wat katten communiceren met hun hele verschijning: het genieten. Daarom wordt je vrolijk van het hebben van een poes: als hij geniet, geniet je zelf ook. De triomf toen hij nog klein was maar al wel op de dakgoot liep van het tuinhuis! Het toppunt was als hij ës avonds op schoot zat en zich na een tijdje zo ontspande dat hij op zijn rug ging liggen, zijn witte bont-buik naar boven en zijn poten vier kanten op. Totale overgave. Vraag was: ‘buikje aaien graag’.
Stout was hij ook. Hij mocht niet uit de tuin (belachelijke verwachting van mij). Als hij op de stoep stond en ik hem bars toesprak ‘nee, nee’, wipte hij door de spijlen van het hek weer naar binnen in de tuin, om meteen weer naar de stoep te springen, kijken wat ik zou zeggen. Ik weer bars, hij weer de tuin in enz. Dat kon zo een aardig tijdje doorgaan, tot hij er genoeg van had en weg trippelde, maar wel op de stoep!

Hij heeft eens een half uur onafgebroken naar een tv programma over leeuwen gekeken. Jonge leeuwenwelpen, close up. Allemaal Petertjes. In mijn huis stonden alle deuren altijd op een kier, want Petertje moet overal binnen kunnen komen, liefst waar wij zijn natuurlijk. Ik praatte veel met hem. Hij was ook eens boos en heeft me toen gebeten. Groot gelijk. Ik had hem in de cat-carrier gestopt om naar de dokter te gaan. Hij moest even heel duidelijk maken wat hij daarvan vond. Hij kloof daarentegen zachtjes op mijn vingers in de cat-carrier toen ik hem ophaalde van het dierenpension, waar hij het zo vreselijk had gevonden. De klachten gaf hij verder via luidkeels miauwen. Het kostte hem 4 dagen om zich van die ervaring te herstellen en weer te kunnen spelen.

Toen ik dus alleen op vakantie was, kreeg ik hem steeds in mijn gedachten. Het irriteerde me een beetje: kan ik nou niet een tijdje zonder die kat? Maar het waren niet mijn gedachten maar zijn gedachten die hij naar mij uitstuurde. ëKom me halen!í, hij vond het zo vreselijk in dat dierenhotel. Veel te heet voor hem, hij lag met zijn neusje de hele dag in het luikje vertelden ze later. Voor deze buitenkat was het een gevangenis. Ik had eerst niet in de gaten dat het niet mijn gedachten waren, maar van hem, wie verwacht er nou een telepatische kat? Maar het bleek al eerder: soms dacht ik aan hem, en dan kwam hij een moment later de kamer in. Later bleek dat die gave van hem ertoe leidde dat hij tenminste gelukkige laatste uren had.

Vriendje kwijt

Donderdag 14 maart had ik hem op schoot en zei tegen hem: ‘als je zoveel van elkaar houdt, ben je wel kwetsbaar’. Diezelfde dag na het avondeten ging hij nog even naar buiten, en ik heb hem niet weergezien. Het bleek later dat het katteluikje, dat gewoon altijd open was, door de storm was dichtgeslagen. Hij kon dus niet terug, en ik kon hem ook niet horen want ik was bij Joos boven. Toen is hij gaan zwerven. We maakten posters, advertenties, zoekacties: niets hielp. Ik miste hem vreselijk en was bezorgd voor hem. Ik bleef overal zoeken en roepen. Men bracht verkeerde rode katers bij me ñ die dan weer naar de goede eigenaars terug moesten. Het was hartverscheurend, de gedachte dat hij ergens verdwaald en verscholen zat, zonder eten of drinken, met die ijzige oostenwind en de nachtvorst.

Vrijdag 22-3 ben ik in gedachten contact met hem gaan zoeken. Dat deed ik al eerder, maar nu had ik het gevoel dat het lukte, Het was curieus, Ik was zelfs blij, en dacht dat ik hem zo de weg naar huis kon gidsen. Ik praatte met hem zoals toen hij hier was. ‘Dag mijn lieve katje’, enz. Het was heel leuk eigenlijk, mijn hevige verdriet was weg, want we praatten met elkaar. Het werd alleen gestoord als ik dacht aan de kou, de onoverkomelijke verkeerspleinen enz, en dan moest ik dat eerst met geweld wegduwen, voor ik weer fijn met hem kon samenzijn. Dat ging alsmaar door. Tijdens de tv: telkens even groeten. Ik ging naar bed om half 12, daarna heb ik heerlijk geslapen. Vanmorgen vroeg weer meteen contact maken door hem in gedachten te zoeken: ‘dag mijn kleintje’. Ik vond het eigenlijk gek dat ik zo intensief geestelijk contact had met een afwezige, dat heb ik met een mens nooit gehad, dat wil ik trouwens ook niet. ’s Morgens om ongeveer 6 uur wou hij dat we samen het aaiprogramma zouden doornemen. Stevig aaien langs beide zijden van zijn lijfje, aan twee kanten van zijn kopje, hij achterover liggen en dan wrijven op zijn buik, even langs aaien als hij op de stoel lag. En op schoot voor de computer, en met me spelen door de spijltjes van de trap, enz. Ik mocht ook niet ophouden, zoals hij soms dwong dat ik doorging met aaien. En zijn neusje in mijn hand drukte. Even kwam mijn angst weer boven: hij krijgt zweetpootjes als hij bang is, dat bleek bij de dierenarts. Zweetpootjes in deze vrieskou, met deze vorst en ijzige oostenwind? Maar toen ik die gedachte met geweld had weggedrukt, gingen we weer door met het aaiprogramma. Tot vijf minuten voor zeven uur. Toen werd het ineens stil. Hij is op dat tijdstip overleden. Als ik hem daarna zoek, voel ik alleen mijn liefde voor hem, niet die van hem. Het is nu leeg. Op 23 maart stierf hij dus, om 6.55 uur.

Ik ben nog een tijd beduusd door deze ervaring. Zo intens, zo lief. Maar ook zo hart-brekend.

Een mevrouw-kattefluisteraar die we tijdens het zoeken hebben geraadpleegd zei van alles over hem, bijvoorbeeld dat hij nog dacht aan een warme betonnen ruimte die niet prettig was, maar verder kon zij niet helpen. Tryphe drong aan dat ze zou proberen om Petertje naar de stoep te dirigeren. Als hij dat zou doen, zouden mensen hem kunnen helpen. Dat is niet gelukt. Ze zei wel hoe hij zich voelde. Na een paar dagen had hij erge pijn aan zijn linker voorpoot, dat kon van de vorst zijn. Maar wat heb je er aan dat te weten? Zijn lijkje is nooit gevonden.

Hij is elf maanden oud geworden, en hij heeft me een feestje gegeven van negen maanden. Maar ik miste hem daarna zo.

Joos was ook dol op hem. Petertje was er bij en speelde met ons als ik Joos zijn uitgebreide ontbijt op bed bracht, voor ons het fijnste moment van de dag. Hij heeft ook veel verdriet gehad over dit verlies.

Joos 27-10-2013
Afscheid van mijn partner

Mijn maatje en geliefde gedurende ruim 40 jaar, Joos Korporaal, is eind oktober gestorven. Hij was een sterke persoonlijkheid, met een flink ego. Hij wilde zelf greep hebben op zijn leven, op elk aspect daarvan, dus ook op het einde. Hij wilde alles meemaken maar de kwaliteit van leven stond voor hem centraal.

Hij was ook zeer intelligent. Ik heb daarvan geprofiteerd omdat we samen konden praten over alles, en ook over onze projecten en mijn boeken. Zijn liefde voor mij was groot en sterk, ik zal me dat altijd met verwondering en dankbaarheid herinneren. Hoewel hij ook fel en heftig kon ruziemaken. ‘Vergeef me’, zei hij dan achteraf, ‘er zit een vulkaan in me die ik soms niet kan tegenhouden’. Hij had ook heel trouwe vrienden, ook van voordat hij mij leerde kennen. Hij hielp en steunde die ook, zoals Martijn die hij al als 12 jarige opving, en Anita die niet tot het maken van haar (goede!) kunst kwam totdat hij aanbood om elke week (later een hele dag eens in de 14 dagen) voor haar model te zitten. Dat heeft hij jaren volgehouden. Sinds 2005 hebben we samen door het land gereisd met de lezing ‘Levenskunst van ouderen’, waarbij de flamboyante Joos niet weinig bijdroeg aan de boodschap! Met zijn felgekleurde kleren met bijpassende petjes die ik voor hem maakte. Hij pikte soms de meest aantrekkelijke dame uit het gehoor en vroeg of die zijn assistent te worden bij de boekentafel in de pauze.

Hij werd 90 jaar. Hij had pijn, zijn vele kwalen deden een groot beroep op zijn geestkracht. Maar die geestkracht had hij tot het eind. Tot het laatst heeft hij de boter er uitgebraaien, een hele ‘boterberg’. In de laatste september en oktober maakte hij, in de rolstoel, nog 4 tripjes met de ‘Boodschappen Plusbus’. Op 23 augustus hield hij met een kleine groep vrienden een boot-feestje vanwege zijn negentigste verjaardag. Dat deed hij elk kroonjaar, met een kleine groep heel oude vrienden, meest vriendinnen eigenlijk. Maar in Augustus waren er ook mannen bij, zoals drie bestuursleden van de Stichtingen waarvoor we samen de laatste werkjaren hadden gewerkt en die ons zo hadden gesteund. En zijn dierbare buren van den Haag, en zijn fysiotherapeut. Maar op de echte datum van zijn verjaardag, 8 oktober, nam hij het laatste afscheid van zijn huis en zijn tuin in den Haag.

We hadden die veertig jaar een lat-relatie. Living apart together, of zoals Joos zei: liever alleen tobben. Het paste goed bij ons. Ons samenzijn was heel intens en ook heel feestelijk en spannend. Het was goed om telkens ook tijden te hebben waarin je weer in je eigen schulp kon kruipen. ‘Ik werk nu aan mijn identiteit’, zei Joos dan. Eerst twee maal een halve week op en neer tussen den Haag en Bussum, maar dat was toch wel hectisch. Toen week op, week af. In Bussum had hij ook een volledig ingerichte etage met eigen badkamer en keuken. Hij wilde graag voor zichzelf blijven koken, maar dat was toch wel erg onpraktisch en ongezellig. Dus aten we samen. Maar wel ieder met een eigen ritme van opstaan en naar bed gaan, en een eigen tv.

Ik kwam ook wel naar Den Haag. Eens in de zes weken of zo. Ik was liever samen in Bussum want daar had ik mijn activiteiten. In den Haag had Joos 30 jaar geleden een etage kunnen kopen, op de begane grond. Een eenvoudig huis, maar met een tuin van 10 x 7.5 meter. Net goed van maat. Ik kon dat in een weekend weer gefatsoeneerd krijgen als ik kwam logeren. In de tuinrubriek van de website van SWP schreef ik:

Zoals het tuintje er bij lag toen hij het had gekocht was het deprimerend. Een miezerig grasveldje – je moet geen grasveldje nemen in een kleine tuin, die ook nog eens tussen de hoge gebouwen staat. Maar de tulpen van de vroegere bewoonster komen nog steeds ieder jaar op! Ik maakte een prachtig ontwerp met een verhoogde border met een muurtje eromheen dat je mooi kon laten begroeien, twee plekken om te zitten, een vijver, grote schalen voor bloemen, een overvloed aan boeiende klimplanten (rozen en Clematissen), Hortensias in alle tinten die er zijn, een klein fonteintje. en telkens nieuwe tuinbeelden.

De trots waren de twee Camelia’s, nu 4 meter groot, speciaal gekocht bij een kweker die ze uit Nieuw Zeeland haalde, en met kleuren die je verder nergens ziet. De Camelia Desire, tweekleurig, vloeiend van roze naar wit en met veel bloemblaadjes; en een rode gestreepte waarvan ik de naam niet meer weet. De heel vroege bloei was een extra vreugde. Ik kan lang doorgaan over die tuin, er was altijd veel te genieten, veel kleur, en van het kopen van bloeiende eenjarigen genoot Joos ook zo, dat was ‘taartjes halen’.

Joos overleefde op zijn 80ste prima een open hartoperatie met drie bijpasses, maar daarna ontwikkelde hij Neuropathie: afstervende zenuwcellen, ‘de ziekte van de pijn’. Het laatste jaar was zwaar. Eerst was er geen goede pijncontrole waardoor ook nog eens zijn benen verzwakten wat maakte dat hij steeds viel. Toen de dokter zijn zorgen uitsprak over het medicijngebruik is Joos, buitengewoon onverantwoord, rigoreus gestopt met alle medicijn (hij was toen nog in den Haag) wat leidde tot een vreselijke cold turkey. En hij wou eerst perse g��n rollator. Het ging op een gegeven moment niet meer in den Haag. Toevallig waren in Bussum een keer (juni 2012), toen Joos er was, een aantal vriendinnen, en mijn dochter en ik bij elkaar en zeiden dat het zo niet langer kon: ‘the league of the worried women’. Hij is toen ‘permanent’ in Bussum komen wonen. Ik heb een traplift laten aanleggen. Maar dat was een moeilijke tijd. De thuiszorg, die binnen denderde op niet-afgesproken tijden, zoals tijdens het door ons zo gekoesterde uitgebreide ontbijt op bed. Vraag en aanbod pasten niet op elkaar. Er waren doorwaakte nachten, steeds dat vallen en veel pijn. Toen hij eens ’s nachts voor de tweede keer niet meer overeind kon komen hebben we (uiteindelijk) de politie gebeld die meteen kwam helpen: ‘voortaan meteen ons bellen!’. Later is dat nog eens gebeurd. Op advies van een vriendin heeft hij toen een heel precieze medicatie voorgeschreven gekregen van de pijnpoli van het AMC in Amsterdam. Dat heeft veel goed gedaan, het werd dragelijk – al was hij wel erg versuft door de morfine. Het eindeloze wc-bezoek ’s nachts leidde tot een blaasontsteking met koorts waarvoor hij in het ziekenhuis belandde. Dat was een ramp. De verpleging ging dagelijks aan hem sjorren: ‘dat is maar eventjes’, maar de pijn die ze veroorzaakten denderde de hele dag door, en ze wilden niet luisteren. Hij werd er agressief van. Daarna kreeg hij een catheter, kon hij weg en mocht hij in het Rosa Spierhuis bijkomen. Toen was het leven weer wat positiever.

Dat laatste jaar (2013) in april zijn Joos en ik nog 14 dagen met vakantie in Spanje geweest, met een reis voor gehandicapten. Joos in de rolstoel (met catheter), dat ging best. Hij genoot zo! Op 23 augustus huurde hij een boot, en Sefira organiseerde een reunie zoals hij elke 5 jaar had gegeven. Joos kon nog rechtop iedereen verwelkomen. Heerlijk het water op met vrienden, feest.

In dat jaar is hij ook nog eens een tweede keer een maand in Bussum geweest, waarbij toen weer bleek dat het niet ging. Nog een tweede keer een tijdje in het Rosa Spierhuis, en toen het verzorgingshuis Patria in Bussum, waarvandaan we elkaar heel makkelijk konden bezoeken (met taxi’s). Hij kwam minstens twee maal per week een hele dag naar mijn huis en ging nog zelf in het ligbad, wat verlichting gaf voor de pijn. Dat was genieten. Hem werd in juni 2013 een aanleunwoning toegezegd – want Joos vond dat hij nog zelfstandig kon wonen – die echter pas in oktober werd opgeleverd. In die tijd ging hij natuurlijk achteruit, dus was die zelfstandigheid steeds meer een illusie. Hij heeft daar uiteindelijk nog een kleine week gewoond.

De spullen moesten van den Haag naar Bussum worden verhuisd, wat in ettelijke etappes is gedaan, met Wim. Toen hij dus definitief niet meer kon wonen in Den Haag was het afscheid zwaar van zijn buurtje, de buren, zijn ‘roots’ in Den Haag, maar vooral van zijn tuin. Op 8 oktober was zijn laatste (90ste) verjaardag. Toen was hij daar om samen met mijn Wim de laatste spullen op te halen. Ton was ook gevraagd om het onkruid weg te halen om het huis verkoopbaar te maken. Ton deed zo eens per jaar het grote werk, snoeien etc. Hij had taart, de buurvrouw kwam toevallig vroeg thuis van haar werk, het was mooi weer, en dat laatste samenzijn heeft het Joos mogelijk gemaakt om den Haag los te laten. Op zijn nieuwe adres, de aanleunwoning in Bussum, wachtte ik hem op met brandende kaarsen, weer taart, port, sigaartje en een gek kerstboompje met lichtjes. Dat laatste vond hij nog het mooiste. Op een kaartje beschreef hij dat zelf: 8-10 ‘Er is er een jarig hoera hoera, dat kun je wel zien dat is hij. We vinden dat allen zo prettig ja ja en soms met een traan of een snik’. Deze dag hard werken geblazen met uitzoeken en sorteren in den Haag. Maar dan de thuiskomst!!! Liebje had het hele huis in lichterlaaie gezet, een prachtige opstelling van kaarsen en een kerstboompje en een vensterbank met cadeautjes, chocolaadjes, marsepein etc. 1 1/2 fles port etc. Maar het mooiste van alles bleef toch het fliep-flap kerstboompje dat je nog kunt uitzetten ook. Daarna nog wat gezellig gepraat en samen gegeten. Heerlijk, er nog een echt ‘heerlijk avondje’ van gemaakt… dan rusten, want deze dag heeft natuurlijk een flinke aanslag op ons fysiek gemaakt. Maar morgen vrolijk verder…’

Op zijn nieuwe adres werd een nieuwe tuin aangelegd door mijn dochter, Joos heeft daar nog een keer in het zonnetje kunnen zitten. Enkele dierbare planten waren meegenomen uit den Haag, en met nieuwe uitbundige Chrysanten, kleine en grote violen, en een berg bollen zoals 3 soorten roze tulpen, drie soorten kleine Narcissen, Crocussen etc. voor het voorjaar. Muziek voor een toekomst die niet meer kwam.

1000 kaartjes

De laatste jaren van onze 40 jaar durende relatie zond Joos me elke dag een kaart. Een ansicht, bloemenplaatje van een liefdadigheidsclub, of een foto. Daarop stond veel tekst gekriebeld, lieve dingen, veel liefdesverklaringen en vaak een gedichtje, bijvoorbeeld van Kees Stip. Als hij in den Haag was moest hij zijn kaartjes posten. Niet zo makkelijk meer omdat lopend te ver was, en met de fiets te gevaarlijk. Dat laatste deed hij toch en hij vertelde me niet meer hoe vaak hij viel. In Bussum legde hij ze op de deurmat, alsof de post ze had bezorgd. Dat ging vele jaren zo door, ik heb ze allemaal nog, in grote dozen. Het moeten er enkele duizenden zijn.

Joos wist dat zijn einde naderde en vond dat hij daarover moest praten, want het boezemde hem angst in. Herman van Veen zei al: ‘Als ik sterf zorg ik dat ik niet thuis ben, ik wil daar niet bij zijn’. Maar gezellig samenzijn won het meestal boven een moeilijk gesprek. Het was ook zo zwaar om te bespreken. Gelukkig waren er zijn kaartjes. De laatste maanden ging hij zijn kaartjes zelf voorlezen, zogenaamd omdat zijn handschrift voor mij niet te lezen was, maar eigenlijk omdat hij via de tekst op de kaarten dingen kon zeggen die moeilijk voor hem waren.

Enkele kaarten van de laatste tijd laten zijn treurigheid zien, dingen die hij niet hardop uitsprak. Het gaat over verlies, bijvoorbeeld van zijn dierbare huis en tuin; over het afsluiten van het verleden door alle documenten te lezen en dan weg te gooien; over de beperkingen van mogelijkheden. Hij schrijft dat hij telkens even naar beneden loopt naar zijn nieuwe aanleunwoning (want hij heeft nog een soort zolderkamertje, zonder balkon, in het hoofdgebouw van Patria) nadat hij de sleutel alvast heeft gekregen, dat hij er zich op verheugt daarheen te gaan. Maar ja, in de tegenstelling van dat kamertje naar het nieuwe schone huis valt het natuurlijk in het voordeel uit van dat huis, maar als hij afscheid moet nemen van zijn huis in den Haag, is het wel even anders. Dat valt zwaar. 12-10 ‘Lieve liefste. Ik heb vandaag een hele dag in het huisje gezeten. Ommeheen zitten staren. Alle kamers een paar keer geïnspecteerd. Verder niks uitgevoerd. Het voelt nog steeds niet goed. Het huis zit nog niet ommeheen. Alleen dinsdag, toen jij er was en de hele kamer had versierd met kaarsen en cadeautjes en die gekke knipperende kerstboom van de Action. Toen dacht ik: ja, dit is. Maar de volgende dagen was dat gevoel er niet meer. Natuurlijk ga ik dapper verder! En: Ik koop een heel mooi potje… Als ik weer kan koken, als ik bakken kan, dan maak ik voor Liebje van vurrukkulijke maaltijd en op een mooie feestdag drie in de pan. En dan is mijn huisje mijn huis. Oh Liebje XXXX.’

Hij schrijft dat hij treurt over het verlies van contact met zijn geliefde dochter Larissa. Hij zegt met mijn kwetsbaarheid mee te leven, maar twijfelt of ik het zijne wel voel? Wat dat laatste betreft, er is een kaartje van een dag later waarop staat dat het zo fijn was dat we het helemaal hebben uitgepraat en dat het negatieve gevoel nu weg is. Ik heb hem een keer vrij luid toegesproken omdat hij zo doof was, en dan blijkt op het kaartje dat hij dat als ‘boos’ had ervaren. ‘Niet boos zijn, want Joos is broos’. Hij schrijft over zijn dankbaarheid voor de twee lieve hulpverleners: Jurgen de fysiotherapeut die hem jaren masseerde en op het laatst bij hem thuis kwam (in den Haag), en toen hij niet meer kon masseren hem alleen zachtjes aaide; en Marjan, van Mensendieck, die hem hielp zich nog redelijk te redden, niet te vallen, te lopen met de rollator (toen die eindelijk was geaccepteerd). Hij vond dat hij bofte met zulke dierbare mensen.

Hij schrijft wel steeds dat we het genieten weer moeten leren want we hebben veel verloren. Geen camper meer waarmee we door de wijde wereld trokken, geen tripjes met de auto, maar potdorie we zullen ook van de gehandicapten-busreizen leren genieten. Hij overleed op 27 oktober, maar 29 september gingen we met die bus naar IJmuiden, varen over de Noordzee; op 4-oktober een lunch in Huizen, op 11 oktober een rondvaart in Leiden en op 13- oktober EemJazz, ook Huizen. Steeds in de rolstoel, geholpen door vrijwilligers. ‘We braaien de boter er uit’ was zijn gezegde, de hele ‘boterberg’.

Het pijnlijkste is het als hij zegt dat hij natuurlijk zielsveel van mij houdt, maar dat hij toch het gevoel dat we hadden samen de laatste 40 jaar, niet meer voelt. En ik herinner me niet meer of ik met genoeg overtuigingskracht heb gezegd dat het niet aan ons ligt, aan ons gevoel, maar dat het de (verdomde) morfine is die hij gebruikte. Hij had een zware dosis want de pijn was anders niet te harden. Hij kon dan zo zitten suffen. Hoe verdrietig het ook is om die laatste kaartjes te lezen, ik geloof dat het een uitlaatklep was, want we hadden wel nog veel goede momenten samen.

Geen ‘hadden we maar’

Hoe kijk je terug? In ieder geval, geen ‘hadden we maar’, dat deden we niet. Als een van ons tweeën ging zeuren over iets, zoals: ‘hadden we toen niet beter..’ enz. dan hadden we de spreuk afgesproken: ‘hadden we maar doen we niet’.

Nu, terugkijkend op de laatste tijd van Joos’ leven, is die spreuk meer dan ooit van belang. Eigenlijk leg je nu vast hoe je die laatste tijd wilt herinneren voor jezelf. Om het modern te zeggen, je ‘framed’ deze laatste tijd. Zo ga je het herinneren, zo blijft het bij je, tot het vervaagt. Je hebt heel nadrukkelijk nu nog de ruimte om aksenten te leggen voor die herinnering. ‘Hadden we maar’ ligt heel erg op de loer.

Ik heb het heel nadrukkelijk over de laatste dingen die je samen deed en voelde. Maar bij het ‘vastmaken’ van de herinnering speelt nog een gevaar op een dieper niveau, waar bijna alle ouderen mee te maken hebben – behalve degenen met een groot ego. De twijfel aan jezelf, aan je leven, aan je keuzes, aan je waarde. Bij gelovigen die een kritische God hebben aangeleerd is het de angst voor de veroordeling. Bij ongelovigen het oordeel over jezelf.

Als je dus zorgvuldig wilt omgaan met de herinnering van de laatste dagen en maanden van iemands leven, iemand die deel van jou was, dan moet je met enig gewicht de keuzes die je maakt, ook vastleggen in je gevoel, en de meer existentiële twijfels radicaal losmaken van de persoonlijke herinneringen aan die ander en aan de tijd samen.

‘Heb ik wel genoeg gegeven’, dat is eigenlijk de grootste vraag, vooral omdat ik weet dat hij meer van me vroeg dan ik kon geven. Ik was eigenlijk zijn levensader. Maar het is toch een foute vraag want we hebben allemaal in die tijd ons best gedaan. Joos klemde zich aan mij vast en begreep niet dat het zijn van iemands ‘lifeline’ een zware taak is. Hij vroeg toch niks? Maar hij zag ook wel, dat, als hij een hele dag bij me was geweest, ik ’s avonds uitgeput was. Dat kon gewoon niet iedere dag. Ik ben tot mijn grens gegaan en er over. Maar dat is makkelijker gezegd dan geloofd. De steun die ik van mijn omgeving kreeg bij wat ik voor hem deed, hielp me.

Maar nu hij en zijn gevoelens: Hoe heeft hij het beleefd, die laatste tijd? Ook hier kan ik nu nog aksenten leggen in mijn eigen herinnering. Heeft hij meer geleden, of heeft hij meer genoten van de restjes geluk die er waren? Was het leven nog waard te leven voor hem? Ik had zo’n vreselijk medelijden met hem, zijn pijn, zijn worsteling met de toenemende beperkingen, eindeloze nachten op de wc. Maar daarvoor hadden we een andere afspraak: ‘geen medelijden’, en tijdens zijn leven hielp dat wel. Hij was zo’n sterke persoonlijkheid, dus als hij zei: ‘er wordt hier niet getreurd’, dan werd er niet getreurd. Het zou voor hem ook ondragelijk zijn geweest als ik medelijdend was geweest. Ik was dus zoveel mogelijk functioneel en lief en gezellig, en organiseerde uitjes zolang dat nog mogelijk was. Samen in de zon zitten in de tuin, met hapjes en drankjes, daar genoot hij zo van. Joos’ eigenlijke gevoelens stonden op de kaartjes die hij dagelijks stuurde. Ook in de laatste maand. Daarop kon hij uiten wat hij moeilijk hardop kon zeggen. En verder hadden we een zeer intensief telefonisch contact, als hij niet bij me was elk uur.

De laatste dagen

Toen hij eindelijk ‘overging’ en in zijn nieuwe huis kon slapen omdat toen het bed en de matras waren gearriveerd, toen merkte hij al dat het lopen moeilijker ging, zo erg dat voor zichzelf zorgen bijna niet lukte, terwijl hij daar toch nog van uit was gegaan. En toen kreeg hij een blaasontsteking en keelontsteking. ’s Morgens vroeg merkte ik aan de telefoon dat het niet goed zat en ben meteen met een (gewone) taxi naar hem toegegaan. Hij had hallucinaties: ‘Larissa is er, heb je haar ook gezien?í Na een dosis antibiotica ging dat over, maar hij was erg zwak. De weekenddokter vond het maar niks, maar we hadden Joos beloofd dat hij niet meer naar het ziekenhuis zou hoeven te gaan, en dat zou ook vreselijk zijn geweest na zijn vorige ervaring daar. Er zou herrie zijn, en lichten, en allemaal hulpverleners, en waarvoor?
Vrijdag en zaterdag hebben Wim, Tryphe en ik, afgewisseld met (commerciële) thuiszorg, voor hem gezorgd. Tegen mijn dochter zei hij zaterdag: ‘ik wil niet tot last zijn van Wim en Liebje’. Hij vroeg tot twee maal toe waar nu zijn nieuwe huisje was waar hij toch zou gaan wonen. ‘Maar Joos’, zei ik, ‘daar ben je nu toch ook’, maar hij herkende het niet. En later: ‘dit heeft geen zin meer’. Ik heb zaterdagavond lief afscheid van hem genomen met kusjes en lieve woorden. ‘Ga maar lekker slapen’, niet wetende dat het ‘the big sleep’ zou worden. Zo heeft hij dan zelf afstand genomen, ‘dit heeft geen zin meer’, en is weggegleden. Hij was zo zwak. Zo is het toch vredig gegaan op 27oktober.

Stap voor stap was de dood dichterbij gekomen. Je kon geen ‘mentale aanpak’ maken voor een fase waar je nog niet in was. Het loslaten kwam eigenlijk vanzelf, en was heel duidelijk, en naar we hopen, vredig. Maar de stappen erheen zijn zoveel mogelijk de moeite waard gemaakt, door Joos zelf vooral. Op zijn rouwkaart heb ik ‘levenskunstenaar’ gezet.

Zonder Joos

Wim ging die zondag om 8 uur naar Joos om hem zijn medicijnen te geven (nadat hij hem snachts nog had geholpen) en trof Joos dood aan. Toen hij me ’s morgens vroeg kwam vertellen dat Joos en niet meer was, was er natuurlijk meteen het verdriet: ‘ik ben mijn knoefie kwijt’. Later, op wonderlijke wijze, was er een overheersend gevoel van dankbaarheid. De rouw had natuurlijk al een hele tijd plaatsgevonden, tegelijk met de aftakeling van Joos zelf. Soms komt het verdriet wel, met golven, maar het zakt ook weer weg. Het herlezen van de zo persoonlijke kaartjes, zoals ik nu deed, was wel heel erg pijnlijk. Zijn gevoel over alles staat er op, ook de gewone tut-dingen. Misschien waren die wel het pijnlijkste.

Maar: de afbraak bij Joos was niet de essentie van de mens Joos waarmee ik zo lang heb opgetrokken. Dat was iemand die intens leefde en liefhad en genoot, en mij een onvergetelijke tijd heeft bezorgd. Dat was Joos. En dat is niet weg.

Liebje Hoekendijk